We hoorden de tred van dansende voeten,
We talmden in de maanverlichte straat,
En stopten voor het huis van lichte zede.
Binnen, boven het gekletter en gekrakeel,
Hoorden we de luide musici spelen:
'Treues Liebes Herz' van Strauss.
Gelijk bizarre mechanische grotesken,
die fantastische arabesken maken;
De schaduwen vlogen over het gordijn.
We zagen de spookachtige dansers draaien
Op het geluid van de hoorn en de viool,
Als zwarte bladeren, wervelend in de wind.
Gelijk de robots van een poppenspeler,
Skeletten met een dun silhouet,
Zich schuchter bewegen in een trage quadrille.
Toen namen ze elkander bij de hand,
En dansten een statige sarabande,
Hun gelach echode, dun en schril.
Soms drukte een opgewonden pop,
Een spokenminnaar aan haar borst.
Soms probeerden ze te zingen.
Soms kwam er een verschrikkelijke marionet
Uit, die zijn sigaret oprookte,
Bovenop de trap, als een levend iets.
Toen - ik draaide me naar mijn lief - zei ik:
"De doden dansen met de doden,
Het stof wervelt met het stof."
Maar zij - zij hoorde de viool -
En verliet mijn zijde en ging naar binnen
Liefde ging naar het huis van de wellust.
Toen werd de toon plotseling vals.
De dansers waren vermoeid van hun wals,
De schaduwen staakten hun gedraai en gedwarrel.
En achter de lange en stille straat,
Kroop de dagenraad - voeten met zilveren sandalen -
Als een bangig meisje.
The Harlot's House door Oscar Wilde in Poems.

0 reacties:
Een reactie plaatsen